Logopedie

Logopedie

De logopedisten bij ons op school bieden logopedie op verschillende vlakken aan alle leerlingen van de school.

U kunt hierbij denken aan kinderen met ernstige spraak- taal moeilijkheden, moeilijk verstaanbare kinderen, slechthorende kinderen, kinderen met auditieve verwerkingsproblemen, kinderen met een taalontwikkelingsstoornis, meertalige kinderen en kinderen met een andere beperking in de communicatie.

Het doel van de logopedische begeleiding is de spraak en taal te optimaliseren en de communicatie zo goed mogelijk te laten verlopen. U kunt hierbij denken aan het begrijpen van de taal, anderen verstaan, begrepen worden, zich duidelijk kunnen maken, verstaanbaar spreken et cetera. We werken hierbij nauw samen met andere disciplines zoals de leerkracht, psycholoog, orthopedagoog, fysiotherapeut, ergotherapeut, maatschappelijk werk, gezinsbegeleiding en ouders.

Verstaanbaarheid

Sommige kinderen kunnen niet verstaanbaar spreken. De logopedist onderzoekt en behandelt de articulatieproblemen. Een van de gebruikte methodes bij ons op school is PROMPT. Via PROMPT helpt de logopedist de leerling bij het produceren van spraakbewegingen. De logopedist laat tegelijkertijd klanken horen, de mondbeweging zien en geeft met de vingers informatie over de kenmerken van de spraakklanken, op specifieke plaatsen van het hoofd en de hals van de leerling. Op deze manier worden spiergroepen die nodig zijn bij het juist vormen van klanken actief gestimuleerd.

Woordenschat, zinsbouw, taalgebruik en vertelvaardigheid

Woordenschat

Het begrijpen en gebruiken van woorden is de basis van je talige mogelijkheden. Logopedisten sluiten nauw aan bij de thema’s uit de klas bij het aanbieden van nieuwe woorden.

 

Zinsbouw

Binnen de logopedische behandeling wordt er ook aan zinsbouw gewerkt. Voor de jongere kinderen voornamelijk met behulp van concreet materiaal (speelgoed), voor de oudere kinderen ook met behulp van oefenstencils. Op deze manier worden ook vaak woorden rondom een bepaald thema geoefend (woordenschat) en de communicatieve voorwaarden: op je beurt wachten, opdrachtgerichtheid, concentratie en dergelijke.

 

Taalgebruik

Naast de inhoud van taal (woorden en zinnen) is het ook belangrijk hoe je die taal inzet in communicatie met anderen. Bij de logopedische behandeling wordt ook altijd gewerkt aan het gebruik van taal. Het openen en sluiten van een gesprek, vragen leren stellen, vragen leren beantwoorden, het formuleren van eigen gedachten, wensen en behoeften en daarbij rekening houden met de gesprekspartner en wat die al wel/niet weet, zijn hier voorbeelden van.

 

Vertelvaardigheid

Bij het vertellen van verhalen is het nodig om al je talige vaardigheden te combineren. Het is nodig om in woorden en zinnen uit te drukken wat je wilt vertellen, maar ook de opbouw van een verhaal is essentieel. Het verhaal heeft een duidelijk begin, midden en einde nodig, waarbij je ook rekening houdt met voorkennis van de luisteraar. Visuele ondersteuning kan hierbij helpen.

Denkstimulerende gespreksmethode (DGM)

De Denkstimulerende GespreksMethodiek is een methode die de taalontwikkeling en de denkontwikkeling van leerlingen wil stimuleren. Tijdens de DGM-lesjes houden wij korte gesprekjes met de leerlingen. Soms kunnen ook ‘losse’ DGM vragen toegepast worden in andere situaties, zoals bij het lezen van een prentenboek.

 

Om het leren makkelijker te maken, gaan we tijdens het gesprekje iets doen. Zo kunnen de kinderen ervaringen opdoen in plaats van er alleen maar over praten. Bijvoorbeeld knutselen, popcorn maken, thee zetten, koekjes bakken, een verhaaltje voorlezen, een filmpje laten zien, een balspel doen, puzzels of lotto’s maken, een voorwerp bekijken.

 

Over deze onderwerpen voeren wij met de leerling een zogenaamd denkgesprek. De bedoeling is dat het zelf tot goede antwoorden komt, terwijl wij dan gerichte vragen stellen.

 

Tijdens het uitvoeren van ‘denkgesprekken’ worden DGM-principes toegepast.

 

Het stellen van verschillende vragen, afhankelijk van het (taaldenk)niveau van de leerling.

 

niveau 1: gemakkelijke vragen/opdrachten

Op dit niveau gaat het om zaken in de directe waarneming. De vragen of opdrachten van niveau 1 zijn eenvoudig.

  • Wat is dit?
  • Wat heb je net gezien?
  • Welke dingen zie je op de tafel?

 

Niveau 2: Iets moeilijkere vragen/opdrachten

Op dit niveau gaat het ook nog om zaken in de directe waarneming. Er wordt nu echter naar specifieke kenmerken van voorwerpen gevraagd. Bijvoorbeeld naar de kleur of de functie van het voorwerp. De vragen of opdrachten van niveau 2 zijn al iets moeilijker.

  • Wijs iets aan waar je mee kunt snijden.
  • Wijs er een aan die groen en rond is.
  • Welke vorm heeft de schaal?

 

Niveau 3: nog moeilijkere vragen/opdrachten

Op dit niveau moet de leerling zaken in de waarneming herstructureren. Hij moet denken en praten over taal. De vragen of opdrachten van niveau 3 zijn nóg moeilijker.

  • Wijs dat deel van het ei eens aan dat we niet eten.
  • Wijs alles aan wat geen poppen zijn.
  • Wat kun je hetzelfde doen met een mes en een schaar?

 

Niveau 4: moeilijkste opdrachten

Op dit niveau moet het kind redeneren over zaken in de waarneming. De waarom-vragen horen in dit niveau thuis. De leerling moet redeneren, probleemoplossen, voorspellen, zijn antwoord of keuze motiveren.

  • Waarom is een schoen niet gemaakt van papier?
  • Wat gebeurt er met de koekjes als we ze in de oven doen?
  • Wat gebeurt er als ik de onderste steen weghaal?

 

Het niveau van de denkvragen wisselt constant en stemt overeen met het niveau van de leerling of iets hoger.

 

Inspelen op de antwoorden van de leerlingen

  • Bij foute antwoorden de vraag vereenvoudigen of het antwoord reguleren.
  • Bij goede antwoorden de vraag moeilijker maken en verder gaan.
  • Verschillende didactische principes: uitgaan van de belevingswereld van de leerling.
  • Leerlingen laten ervaren en leren door het zoveel mogelijk zelf te mogen doen.

Babbelspel

In de bovenbouw kunnen groepslessen logopedie uit gesprekken rondom het Babbelspel bestaan. Dit spel is bij individuele behandelingen te gebruiken, maar met wat aanpassingen ook heel erg leuk in een groep. De leerlingen mogen om de beurt een kaartje pakken en hiervan de vraag voorlezen en beantwoorden. Ze leren hierbij hun mening te vormen en verwoorden. De verschillende meningen van leerlingen uit de klas worden vergeleken en besproken; iedereen mag zijn eigen mening hebben. Het belang van je mening kunnen uitleggen aan anderen en onderbouwen met argumenten komt hierbij ook aan bod. Want als je zegt ‘ik vind huiswerk stom’ en dan stopt met praten… komt dat heel anders over dan ‘ik vind huiswerk stom, omdat ik liever op school veel werk doe’. De ander kan jouw mening dan veel sneller begrijpen.

Debatteren

Je mening uit kunnen leggen en luisteren naar elkaars mening en argumenten is een belangrijke vaardigheid, die in de bovenbouw steeds meer gevraagd wordt. In de hoogste bovenbouwklassen wordt vaak eerst met behulp van het Babbelspel gewerkt aan deze vaardigheid.

 

Hierbij wordt de leerlingen een stelling aangeboden, waarbij ze mogen kiezen wat hun mening is: voor / tegen. De groepjes ‘voor’ en ‘tegen’ mogen dan samen argumenten gaan verzinnen om hun mening te onderbouwen. Later kan dan een echt debat gevoerd worden waarin de kinderen hun mening geven en uitleggen met argumenten. De groepen moeten hierbij goed naar elkaars mening luisteren en proberen door eigen argumenten te geven hun stelling te verdedigen.

 

Voorbeelden van stellingen die we behandelen, zijn:

 

  • Alle kinderen moeten een tv op hun kamer hebben
  • Tanden poetsen in de klas is onzin
  • Alle wijken moeten een speeltuintje hebben
  • Vuurwerk moet voor kinderen verboden worden
  • Alle kinderen moeten thuis nog een uur buiten spelen

 

In de tweede helft van het schooljaar starten dan de debatteerlessen.

Auditieve verwerkingsproblemen

In sommige gevallen mist het kind veel  mondelinge informatie, ondanks dat hij goed hoort. Over de oorzaak van dit probleem is nog veel onduidelijk.

 

Wat merken we zoal bij deze kinderen?

 

  • Ze gedragen zich als een slechthorend kind ondanks een normale gehoordrempel
  • Ze hebben veel moeite met het verstaan van mensen wanneer er achtergrondlawaai is; bijvoorbeeld in de klas of in het zwembad
  • Ze hebben moeite met hakken en plakken van woorden;
    plakken; f-a-b-r-ie-k = fabriek
    hakken; krant = k-r-a-n-t
  • Ze kunnen lange opdrachten moeilijk onthouden
  • Ze weten vaak niet uit welke richting een geluid komt
  • Ze herkennen vaak geen melodieën en hebben moeite met ritme

 

Bij de logopedieles proberen we deze leerlingen te helpen ontdekken wat het probleem is. We helpen ze door:

 

  • Deelvaardigheden extra te oefenen. Bijvoorbeeld door korte opdrachten te oefenen en deze steeds een beetje langer te maken of door extra te oefenen met het horen van verschillende geluiden, klanken, woorden, zinnen enz..
  • Ze ervan bewust te maken dat ze informatie missen. Hierdoor proberen we de luisterhouding te verbeteren.
  • In sommige gevallen solo-apparatuur aan te bieden om het te helpen luisteren naar het belangrijkste geluid.

 

Daarnaast kan het zijn dat we samen met de leerkracht de beste plaats voor het kind in de klas uitkiezen.